Politiegeweld

Uit beelden en getuigenissen blijkt dat het optreden van de politiediensten in de straten van Brussel, tijdens de betoging van 4 juni, tegen de stemming van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap, niet evenredig is geweest. In de gemelde feiten, die nog niet gerechtelijk zijn vastgesteld, maar wel stoelen op directe getuigenissen, is sprake van het gebruik van traangas tegen minderjarigen, het fysiek immobiliseren van personen op de grond, het gebruik van spanbandjes, het toebrengen van slagen aan jongeren en het verhinderen van volwassen om leerlingen bij te staan. Getuigen spreken bovendien ook van doelgerichte controles en discriminerende behandelingen. Al deze feiten vereisen een onmiddellijke reactie van de bevoegde overheden. 

Fysieke brutaliteit in de straat komt niet zomaar uit het niets. Ze ontstaat in het politieke discours en uit zich vervolgens in actie. Wanneer beleidsverantwoordelijken betogers als de vijand beschouwen, het wantrouwen ten aanzien van de middenveldorganisaties voeden of burgerbewegingen op een wanordelijke manier karikaturiseren, scheppen ze een klimaat waarin buitensporig geweld, voor sommigen, niet alleen aanvaardbaar, maar ook verwacht wordt. Het ABVV betreurt deze retorische verschuiving waarbij sociaal protest beschouwd wordt als een bedreiging van de veiligheid, eerder dan als een legitieme democratische expressie. Deze discours heeft reële gevolgen: het berooft het protest van zijn legitimiteit, ondermijnt de onpartijdige opstelling, die de orderhandhavers in acht moeten nemen, en stelt de burgers – en dan vooral de meest kwetsbaren – bloot aan buitensporige interventies.  De politie kan niet gelijktijdig het instrument van een confrontatieretoriek zijn en de grondrechten waarborgen.

De rechtspraak is duidelijk. Om de toevlucht tot geweld te nemen, moet de overheid aan drie voorwaarden voldoen: wettigheid, noodzaak, proportionaliteit. Deze voorwaarden worden nog scherper wanneer de betrokkenen minderjarig zijn – zoals de conventie voor de rechten van het kind het stelt.  

Daarom vraagt het ABVV om een onpartijdig en transparant extern onderzoek in de politiezone Brussel naar die feiten. De vakbond herinnert aan de verplichting voor elke agent om identificeerbaar te zijn (Uniform – Armband) — het zichtbaar dragen van het dienstnummer is een deontologische en wettelijke verplichting, geen keuze — en op de plicht tot politieke neutraliteit van de ordestrijdkrachten.

Het ABVV komt op voor alle werknemers, zonder uitzondering. Het weet dat de overgrote meerderheid van de politieagenten hun job professioneel uitvoert in situaties die vaak moeilijk zijn en te weinig erkend worden. Net daarom weigert het ABVV stil te blijven. De politieagenten verdedigen, betekent ook dat we niet aanvaarden dat hun job wordt bedoezeld door onaanvaardbare praktijken die in strijd zijn met de rechtstaat — en door een politiek discours dat, door retorisch geweld tegen demonstranten te normaliseren, de omstandigheden schept waarin fysiek geweld mogelijk wordt. Een ordehandhaving die burgers beschermt, is een gerechtvaardigde ordehandhaving. Een ordehandhaving die minderjarigen traumatiseert en betogers intimideert, verliest die rechtvaardiging — en daarmee het vertrouwen die enkele openbare dienst nodig heeft om te functioneren.

Bijgevolg veroordeelt deze motie met klem elke vorm van geweld, met inbegrip van elk politiegeweld tegen betogers, en in het bijzonder tegen minderjarigen. De motie stelt het politieke discours aan de kaak dat, door sociaal verzet als een bedreiging te bestempelen, het gebruik van geweld bij voorbaat rechtvaardigt en verzoekt ook de gerechtelijke, politieke en politieautoriteiten onmiddellijk actie te ondernemen om de feiten op te helderen.

Scroll naar boven